Ambulances

Terwijl ik door het dorp fiets staat er een ambulance in de winkelstraat. Inmiddels staan er ook wat mensen op een afstandje te kijken, en ik hoor ze glimlachend zeggen dat ze wel willen zien wat er gebeurt. Bij mij verzamelen de tranen in mijn ooghoeken. M’n keel voelt dichtgeknepen en ik fiets snel door. Nooit had ik nare gevoelens bij ambulances en ik was juist altijd onder de indruk hoe iedereen voor ze aan de kant gaat als ze uitrukken om mensen de nodige hulp te bieden.

Maar de laatste tijd krijg ik het benauwd als ik er een zie. Mijn gedachten springen direct naar de dag dat de ambulance Koos en mij kwam ophalen voor Koos zijn laatste bloedtransfusie in het AvL. De dag voor de verjaardag van onze middelste zoon. De brancard werd naar onze slaapkamer gereden die aan de grond grenst. De verpleging vroeg of ze naar binnen moesten rijden, maar Koos wilde zelf naar de brancard lopen en er op gaan liggen. Hij werd vastgeklikt met beveiligende banden om zijn lichaam en de ambulance ingereden. Ik liep erachteraan met mijn tasje met opladers, oortjes, drinken en wat notenrepen. Een dagje ziekenhuis zoals we al zoveel keer eerder gedaan hadden. Deze keer hoefde ik Koos niet voor de deur af te zetten, maar werden we samen gebracht. We waren stil en wisten dat dit de laatste keer zou zijn dat Koos bloed en hopelijk wat nieuwe energie zou krijgen.

Juist die dag was het telefoonnummer van alle hulpdiensten tijdelijk uit de lucht. Na anderhalf uur wachten na de laatste bloedzak kon de verpleging nog steeds niet zeggen wanneer we opgehaald zouden worden voor de rit terug. Koos mopperde dat we toch beter zelf hadden kunnen rijden – wat niet had gemogen in zijn conditie. We waren er wel klaar mee en via een telefoontje met de politie Amsterdam, die een alternatief nummer had getwitterd, zijn we zelf gaan bellen en konden zij ons doorverbinden met de ambulance-centrale. Tien minuten later stond de ambulance voor de deur en konden we gelukkig naar huis.
Het nieuwe bloed zorgde voor de laatste opleving in Koos zijn leven op aarde. Hij zat de dag erna bij ons buiten op het terras en nam deel aan het verjaardagsfeest. Ik realiseerde mij elke seconde heel goed dat Koos voor de laatste keer meekeek naar dit samenzijn. Het werd een middag die ik nooit zal vergeten.

Ik hoop nog vaak een ambulance tegen te komen, omdat ze iemand belangrijke eerste hulp bieden. Iemand die hopelijk meer dan een laatste opleving tegemoet mag zien. Tegelijk maak ik mij elke keer op voor de herbeleving van Koos zijn laatste rit, gevolgd door een golf van intens verdriet om wat Koos heeft geleden, en om wat wij samen hebben geleden. En om hoeveel ik hem mis. Ik laat het gebeuren. Er komt vast een dag dat een ambulance mij niet meer zo van mijn stuk brengt /////